Historiek

luchtfoto zoutleeuw voor restauratie (WinCE)Gezagsdragers hebben zich  steeds  bekommerd om het lot van hulp-behoevenden. In de oudheid was dit vooral bedoeld om overlast binnen de perken te houden.

Met de opkomst van het christendom en de katholieke kerk ontstond geleidelijk een georganiseerd stelsel dat steunde op de idee van naastenliefde. De zogenaamde ‘Tafels van de Heilige Geest’ of ‘Armentafels’ boden hulp aan behoevenden op parochiaal niveau.

Aangezien de werkingsmiddelen van de Armentafels afkomstig waren van giften en legaten – en de werking dus afhankelijk was van de goede wil van weldoeners - verschilde de hulpverlening van parochie tot parochie. Deze verscheidenheid werd nog meer in de hand gewerkt doordat er geen algemeen geldende normen voor de hulpverlening bestonden, hetgeen ook aanleiding gaf tot misbruiken. Vanaf de 16e eeuw groeide het inzicht dat deze vorm van hulpverlening ook een verantwoordelijkheid van de burgerlijke overheid was.

Het is evenwel pas sedert de Franse revolutie dat de kosteloze hulpverlening als een echte overheidsplicht wordt beschouwd. De nog steeds op het liefdadigheidsprincipe gestoelde Armentafels werden door de revolutionaire wetgever afgeschaft. In de plaats werd, door twee wetten uit 1796, in de gemeenten een hulpverleningsstelsel met een dubbele structuur uitgebouwd.

In elke gemeente werd een Bureel van Weldadigheid opgericht: een publieke instelling met rechtspersoonlijkheid die het verlenen van materiële hulp (kleding, levensmiddelen, verwarming, medicijnen, …) aan thuiswonende behoeftigen tot taak had.

Tevens konden in elke gemeente burgerlijke godshuizen worden opgericht, eveneens publiekrechterlijke rechtspersonen. Zij waren belast met de verzorging van zieken en bejaarden in instellingsverband.

Beide instanties stonden onder het toezicht van de gemeentelijke overheid. Zij maakten gebruik van de infrastructuur en de eigendommen van de vroegere liefdadigheidsinstellingen die door de revolutionaire wetgever waren genationaliseerd. Hun inkomsten haalden ze grotendeels uit de opbrengsten van die eigendommen, giften en legaten. Tekorten werden opgevangen door gemeentelijke toelagen.

Na de Belgische revolutie werden de burgerlijke godshuizen en de weldadigheidsburelen onder het toezicht van het college van burgemeester en schepenen geplaatst.

De tweeledige structuur van de hulpverlening gaf aanleiding tot problemen. Naast de hoge werkingskost van twee parallel opererende openbare instellingen, werden ook vaak onevenwichten in de taaklast en de hulpverlening vastgesteld, omdat de weldadigheidsburelen veelal grotere noden dienden te beantwoorden.

De wet van 10 maart 1925 smolt de burgerlijke godshuizen en de burelen van weldadigheid samen tot één nieuwe, op gemeentelijk vlak georganiseerde, instelling: de Commissie van Openbare Onderstand (COO). De commissies waren samengesteld uit leden die door de gemeenteraad werden gekozen en de burgemeester van de gemeente. De COO’s stonden onder het toezicht van het college van burgemeester en schepenen.

De opdracht van de COO’s bestond in het verlenen van financiële bijstand aan hulpbehoevenden, het organiseren van zorg voor behoeftige bejaarden, verlaten kinderen en wezen, het verstrekken van ziekenzorg en het nemen van preventieve maatregelen ter bestrijding van behoeftigheid.

Ingevolge de uitbouw van de diverse stelsels van de sociale zekerheid voor werknemers en de economische groei, die gepaard ging met toenemende welvaart, bouwden de COO’s na de Tweede Wereldoorlog meer en meer een dienstverlening uit die niet alleen meer ten goede kwam van ‘behoeftige’ personen en gezinnen. Zo boden de COO-ziekenhuizen en -bejaardentehuizen steeds meer gespecialiseerde hulp die open stond voor de volledige bevolking. Ook bij andere initiatieven, zoals de bedeling van warme maaltijden of gezinshulp aan huis, speelde het bestaan van een ‘financiële behoeftigheid’ vaak geen rol meer. De COO’s speelden op die manier in op een aantal immateriële noden van personen, waarop de sociale zekerheid geen antwoord had.   

Hoewel het begrip ‘behoeftigheid’ in de betekenis van ‘het zich in materiële ellende bevinden’ in de praktijk voorbijgestreefd was, bleef de openbare onderstand kampen met een ongunstige bijklank. De wetgever diende in te grijpen. Met de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kwam definitief een einde aan de onderstandsgedachte. Een heel andere filosofie lag aan de basis van het OCMW.

Volgens de wet van 8 juli 1976 moet het OCMW niet alleen curatieve, maar ook preventieve hulp verstrekken. De hulpverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn. Het OCMW dient - met andere woorden - oog te hebben voor het welzijn, in ruime zin, van alle inwoners van de gemeente. Artikel 1 van de wet bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening.

Het OCMW van Zoutleeuw heeft vanuit deze welzijnsgedachte een uitgebreid net aan dienstverlening uitgebouwd: sociale dienstverlening, een woonzorgcentrum, thuisbedeling van warme maaltijden, gezinshulp aan huis, poetshulp aan huis, schuldbemiddeling, …

Daarnaast treedt het OCMW ook op als partner van de federale en Vlaamse overheid bij de toekenning van wettelijke of decretale rechten en voordelen, zoals het recht op maatschappelijke integratie (door tewerkstelling of een leefloon), hulp bij sociale en culturele participatie, verwarmingstoelage, opvang van asielzoekers, steunverlening aan hulpbehoevenden inzake energielevering, …

Het OCMW is een territoriaal gedecentraliseerd bestuur met rechtspersoonlijkheid. De regels met betrekking tot de organisatie en de werking van het OCMW zijn geregeld in het decreet van 19 december 2008. 

De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden verkozen door de gemeenteraad. De raad richt in zijn midden een vast bureau op dat belast is met het afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur. De activiteiten worden politiek geleid door de voorzitter. De secretaris is de leidend ambtenaar van het OCMW. 

De financiering van het OCMW is een eerder complexe aangelegenheid. Het OCMW beschikt over aanzienlijk eigen financiële middelen afkomstig van cliënten die bijdragen in de dienstverlening (opbrengsten bewoners woonzorgcentrum, warme maaltijden aan huis, poetsdienst, gezinszorg, ...) en van opbrengsten uit eigendommen. Daarnaast verwerft het OCMW voor de uitvoering van bepaalde opdrachten en investeringen subsidies en toelagen. De kosten van de dienstverlening die door het OCMW wordt verstrekt als partner van een hogere overheid worden vaak geheel of gedeeltelijk ten laste genomen door die overheid. Het OCMW ontvangt voorts een bijdrage uit het Vlaams Gemeentefonds. Ten slotte bepaalt de regelgeving dat resterende tekorten worden opgevangen door een overdracht uit het gemeentebudget.